Zal er, als een gevolg van de recente ontwikkelingen in Oost-Europa, in
Nederland eindelijk een nieuw democratisch bewustzijn ontstaan? Suggesties van
enkele burgemeesters wijzen in die richting. Ook de vorming van de
commissie-Deetman, gericht op bestuurlijke vernieuwing, is een signaal. Hoogste
tijd: er is reden tot grote bezorgdheid over het democratisch gehalte van de
machtsvorming en de machtsuitoefening in Nederland.
De
democratische regimes van West-Europa verkeren de laatste tijd in een bijzonder
comfortabele positie. Zelden of nooit wordt de legitimiteit van de
democratische machtsuitoefening in twijfel getrokken of aan een serieuze
beoordeling onderworpen. De parlementaire democratie, zo is immers de
overtuiging, is de beste regeringsvorm ter wereld. Wat kan er eigenlijk
verkeerd gaan? Zelfs alle boekhoudkundige capriolen, onuitvoerbare besluiten en
publieke schandalen kunnen ons systeem niet deren. Alleen al het feit dat die
aan het licht komen, is immers een bewijs voor de openheid en de hoge morele
standaard van de democratie - en dat is de reden tot innige tevredenheid.
Er mogen dan wel eens krankzinnige wetten worden
uitgevaardigd en er mag in de regel met geld worden gesmeten, maar we hebben
toch onze beroepsinstanties en onze vrije pers en onze rechtvaardig gekozen
volksvertegenwoordiging? Er zijn dus garanties en correctiemogelijkheden genoeg.
Zo wordt elke principiële vraag naar het democratisch gehalte van ons systeem
vaak al gesmoord voordat zij gesteld wordt. Het ziet er naar uit dat aan deze
zelfvoldaanheid nu een eind moet komen.
Na
de ondergang van het Derde Rijk waren de Westerse democratieën de glorieuze
kampioenen van de vrijheid. Met recht en reden postuleerde het Westen zich als
het centrum van de politieke deugd, als de toonkamer van tolerantie en
rechtvaardigheid. De democratie, die zichzelf steeds een probleem behoort te
zijn, veranderde echter in een soort geloof en sloot zich daarmee af van elke
vorm van principiële zelfkritiek.
De herinnering aan de diabolische misdadigheid
van het verslagen Derde Rijk was meer dan voldoende om elke kritiek op het
eigen systeem bij voorbaat kansloos te maken. Bovendien leek de hoogconjunctuur
van de jaren zestig het bewijs te leveren dan onze regeringsvorm niet alleen
rechtvaardig was, maar ook bijzonder doelmatig en zegenrijk. Alleen een
generatie marxistische studenten en docenten die in de jaren zeventig de
universiteiten overspoelde, waagde het een afwijkende visie naar voren te
brengen, maar deze was in haar warrigheid dermate potsierlijk dat men er
uitsluitend in slaagde de universiteiten op hun kop te zetten.
Het nazi-trauma, aangewakkerd door enkele
oprispingen van neonazisme en door een uitgebreid ritueel ter herinnering aan
het oorlogsleed, bracht de democratische machthebbers in een begenadigde
positie. Zij beschikten daarmee over een permanent excuus voor de eigen
tekortkomingen, die dan ook niet als tekortkomingen werden gezien, maar als de
onvermijdelijke spaanders bij het hakken of als gevolg van het menselijk
tekort.
Deze politieke excuuscultuur word nog eens
versterkt door de permanente aanwezigheid van socialistische terreursystemen
elders. Al hebben sommige Westerse socialisten lange tijd - soms zeer lang -
een zodanig zwak gehad voor hun kameraden in Oost-Europa en Azië dat ze er geen
kwaad van konden horen, voor de meesten van ons was de perversiteit van deze
marxistische regeringen terecht een reden om ons nog eens extra op de borst te
slaan.
Maar hoezeer wij dan ook moreel, sociaal en
economisch verheven waren boven deze dwangstelsels van hun moordende
gelijkheidswaan, voor ons heeft het langdurige bestaan van onder meer de Oostbloksystemen,
naast het nazi-trauma, het nadeel gehad dat ondanks al onze democratische
vormen en figuren 'de politiek' zich voltrok en een sfeer van principiële
kritiekloosheid.
Laten
wij de blik verder vooral op Nederland richten. Door dit ontbreken van enige
vorm van fundamenteel wantrouwen tegen de democratische machtsvorming en
machtsuitoefening, heeft de politieke machinerie ongemerkt veel meer
speelruimte gekregen dan wenselijk is. "De politiek" met inbegrip van
de inmiddels gepolitiseerde bureaucratie, lijkt zich meer dan ooit te hebben
ontwikkeld tot een min of meer gesloten circuit van partijleden.
Nu zou men kunnen tegenwerpen, dat er toch
nauwelijks gesproken kan worden van een gesloten circuit omdat het om een
meerpartijenstelsel gaat met een redelijke onderlinge concurrentie tussen de
partijen. Oppervlakkig gezien moge dat waar zijn, maar men vergeet dan dat de
ideologische verschillen tussen de
grote partijen inmiddels zo gering zijn geworden dat zij nauwelijks veel meer
zijn dan ondergeschikte varianten van eenzelfde attitude.
Deze principiële eensgezindheid van de grote
partijen wordt weliswaar zo nu en dan aan het oog onttrokken doordat zij zich
op gezette tijden in allerlei bochten wringen om een soort eigen identiteit
naar voren te brengen en incidenteel flink ruzie te zoeken over min of meer
ondergeschikte kwesties, maar deze theaterstukjes kunnen toch nauwelijks
verhullen dat de rollen die men speelt sterk aan elkaar verwant zijn.
De sociaal-democraten hebben gaandeweg tal van
liberale beginselen omhelsd, de liberalen hebben zich inmiddels bijzonder
ruimhartig opengesteld voor socialistische nivelleringsdoeleinden en de
christen-democraten hebben een soort wazigheid ontwikkeld die het midden houdt
tussen socialistisch liberalisme en liberaal socialisme. Deze is dan wel
enigszins christelijk geparfumeerd, maar zo discreet dat het de socialisten en
liberalen, die inmiddels een zeker respect voor christenen hebben ontwikkeld,
nauwelijks kan storen.
Het gevolg is dat wij, afgezien van wat politiek
kleingoed ter linker- en ter rechterzijde, en van de vriendelijke triangel van
D66, in feite te maken hebben met een eenpartijstelsel.
Van een effectieve oppositie kan dan ook nauwelijks sprake zijn.
Uiteraard doen zich tussen de grote partijen allerlei persoonlijke irritaties
en ook politieke wrijvingen voor, maar die vind je evenzeer binnen de partijen.
De ideologische onzekerheid binnen deze partijen leidt immers tot tal van
interne problemen, te meer omdat men in het openbaar toch met een soort eigen
gezicht te voorschijn moet komen. Die behoefte aan een eigen gezicht doet zich
overigens bijna alleen voor bij het naderen van de verkiezingen, als men zich
weer herinnert dat men de burgers nodig heeft om in het zadel te blijven.
Nu
de grote partijen niet meer over ondubbelzinnige beginselen beschikken en dus
evenmin over een duidelijke waardenhierarchie, verkeert de politicus in een
enigszins verwarrende situatie. Want welk belang heeft hij er bij om
partijpolitiek te bedrijven als zijn partij geen eigen beginselen meer heeft?
Als er geen 'hogere' belangen meer zijn die hem voortdrijven, wat houdt hem dan
nog in beweging? Op grond waarvan bepaalt hij zijn keuzen en zijn stellingname?
Op grond van het partijbelang? Maar als de partij geen duidelijke ideologische
belangen meer heeft, resteert eigenlijk maar een soort belang: zijn
eigenbelang, dat wil zeggen zijn sociale status, zijn carrierekansen, zijn
publieke bekendheid, zijn ijdelheid.
Als dit in zijn algemeenheid waar is, zou dat
tevens verklaren dat 'de politiek' vaak zo weinig is geïnteresseerd in wat de
gewone burgers er allemaal van denken en vinden, alle obligate inspraak en
openheid ten spijt. Nu is elke niet-criminele ambitie volstrekt legitiem in een
liberale staat, ook als dit vrijwel uitsluitend op eigenbelang is gericht. Maar
bij de politieke ambitie doet zich het probleem voor dat het beroep zelve bij
uitstek eisen stelt die zich weinig verdragen met overwegend egoïstische en
narcistische motieven. De democratische politicus wordt geacht juist in de
eerste plaats de maatschappelijke belangen, zo niet het levensgeluk van anderen
te behartigen.
Elk beroep kent weliswaar zijn eigen
verantwoordelijkheden, maar het beroep van politicus bestaat vrijwel
uitsluitend uit de opdracht verantwoordelijkheid te dragen en verantwoording af
te leggen. In een ik-gerichte maatschappij met ik-gerichte politici lijkt het
moreel gewicht van deze opdracht echter vederlicht te zijn geworden. Een
politicus die niet (meer) over een eigen ideologische en morele kern beschikt,
wordt in zekere zin onbetrouwbaar. Het hoeft dan ook niemand te verbazen als
hij met narcistische willekeur dwaasheden verzint en spilzieke plannen opzet
waar geen burger om heeft gevraagd.
Graag
zal hij zich overgeven aan de mode van de dag omdat daaraan de minste risico's
zijn verbonden en zijn ijdelheid daarmee het meest is gebaat. Zijn eerste zorg
is immers zichzelf te 'profileren', onverschillig of hij met zijn plannen
verwarring sticht, ongeacht of zijn beleid chaotische gevolgen heeft. Kenmerken
voor deze lichtzinnige situatie is dat het politiek bedrijf steeds meer is gaan
lijken op een warrig soort boekhouden. Er wordt voortdurend met financiële
posten geschoven en gedaan, zonder dat iemand eigenlijk nog precies weet wat
het zwaarst zou behoren te wegen, want daarvoor ontbreken de beginselen en de
bijbehorende waardenhierarchie.
Men kan een dergelijk beleid dan wel
'pragmatisch' noemen, maar daarmee wordt het geen haar beter. In feite beoefent
men, in zijn eigen politieke radeloosheid, een vorm van willekeur. Er worden
besluiten genomen die vervolgens weer worden ingetrokken, wetten uitgevaardigd
die niet worden uitgevoerd of weer snel worden gewijzigd, bezuinigingen
afgekondigd waaroven men nooit meer iets hoort, belastingverlagingen aangekondigd
terwijl belastingverhogingen al weer in de maak zijn.
Zo worden de burgers opgescheept met een bijna
chronische verwarring. De inconsequenties en inconsistenties die over de
burgerij worden uitstort, vormen niet alleen een aantasting van de spil van
elke vorm van behoorlijk bestuur, de rechtszekerheid, maar hebben ook nog tot
gevolg dat het respect voor 'de politiek' en dus voor het democratisch bedrijf
dreigt af te nemen.
De
afkalving van het politiek verantwoordelijkheidsgevoel gaat bovendien gepaard
met een zekere oligarchisering van de politieke macht. Binnen het machtsblok
van de drie grote partijen worden alle openbare functies van belang verdeeld,
inclusief vele zetels in de top van de bureaucratie.
Daarbij
dient men te bedenken dat slechts zo'n vier procent van de kiezers partijlid
is. Van die vier procent is slechts een klein percentage, naar schatting niet
meer dan tien procent, aanwezig op partijvergaderingen, waar onder meer wordt
bepaald welke partijleden voor welke functies in aanmerking komen. Dit betekent
dus dat een minuscule minderheid van ongeveer 0,4 procent van de kiezers de
personele bezetting van de overheid bepaalt. Het is duidelijk dat bij
dergelijke verhoudingsgetallen het algemeen kiesrecht nauwelijks nog een
correctieve functie kan hebben en dat het begrip democratie hier nauwelijks nog
van toepassing is.
In een
vroegere fase van onze democratie, toen ideologische gedrevenheid nog een
belangrijk selectiecriterium was, toen de politieke participatie van de kiezers
nog een grote rol speelde en toen de bureaucratie nog ruim openstond voor
partijloze deskundigen, waren politici in de eerste plaats afgevaardigden,
lasthebbers met een duidelijke morele gebondenheid aan hun kiezers.
Nu
echter de politieke beginselen van weleer zozeer zijn vermengd en vervaagd dat
de inzet van de politicus niet meer overwegend wordt bepaald door zijn
betrokkenheid bij de publieke zaak en door zijn specifieke moraliteit, maar in
de eerste plaats door zijn persoonlijke ambitie, is er een geheel nieuwe
situatie ontstaan. 'De politiek', in feite beheerst door een blok van drie
grote partijen, heeft inmiddels alle kenmerken gekregen van een
carrièreoligarchie, waarbinnen een zeer beperkt aantal ambitieuzen de dienst
uitmaakt. Daarmee is het beroep van politicus één van de vele carrièreberoepen
geworden en de politiek, tot op zekere hoogte, een bedrijf als een ander.
Als je
het daarin tot iets wilt brengen, zul je in de eerste plaats de spelvormen van
het machtcircuit in acht moeten nemen. Wie als fractievoorzitter in de
Provinciale Staten de ambitie heeft gedeputeerde te worden, zal op zijn tellen
moeten passen en geen standpunt moeten innemen dat de commissaris of de partij
zou kunnen mishagen, hoe rationeel en consistent dat standpunt ook is. Door dergelijke
vormen van mentale afhankelijkheid is er een zekere feodalisering van het
politieke bedrijf ontstaan. De democratische procedures worden weliswaar in
acht genomen, maar de meningsvorming en
de besluitvorming volgen allerlei kanalen en sluizen die voortdurend
onder druk staan van de grote gemalen.
Evenals
vele anderen wordt de politicus beheerst door carrièrebelangen. Maar terwijl de
carrièrebelangen in andere beroepen bijna altijd gebaat zijn bij een
consciëntieuze plichtsvervulling ten opzichte van een kritische cliëntèle, kan
de politicus zich hele reeksen misgrepen permitteren. Hij kan zich immers
altijd weer beroepen op gewijzigde omstandigheden, onjuiste prognoses,
‘meevallers’, ‘tegenvallers’, of de ‘politieke wil’ van de partij(en).
Hoewel
politici over bijvoorbeeld universiteiten graag praten in termen van rendement,
wordt de vraag naar het rendement van de politicus zelden of nooit gesteld.
Want al is zijn beroep een carrièreberoep als een ander, het onderscheidt zich
van alle andere beroepen doordat het is gespecialiseerd in macht. Het is deze
macht die zijn beroep een zekere ‘dekking’ verleent, die hem in hoge mate
vrijwaart voor een werkelijk rigoureuze beoordeling in termen van prestatie en
rendement.
Daarbij
komt dat, door de betrekkelijke geslotenheid van het politiek circuit en door
het ontbreken van een effectieve oppositie, de politieke macht zich vaak
nauwelijks serieus hoeft te storen aan de speldeprikken, het gemor, en het
geprotesteer van haar cliëntèle, de burgerij.
Deze betrekkelijke onschendbaarheid wordt dus nog
versterkt door de behaaglijke gedachte dat, vergeleken met het nazisme en de
even gruwelijke regimes die Oost-Europa beheersten, het Westers parlementarisme
een wonder is van democratisch bestuur. De politieke macht trekt ten volle
profijt van de mythische overtuiging dat er in een door algemeen kiesrecht en
een meerpartijensysteem beheerste staat nauwelijks iets wezenlijks mis kan
gaan: wat men nu in Oost-Europa ook lijkt te willen geloven. Bijna niemand
lijkt zich hier dan ook zorgen te maken over de vergaande vervreemding tussen
kiezers en 'gekozenen' (of eigenlijk meer 'gecoöpteerde').
Nu dringt de vraag zich op hoe het komt dat de
politieke macht geheel in handen is van een oligarchie van beroepspolitici. De
opmerkelijke situatie doet zich voor dat één willekeurige beroepsgroep, waarvan
samenstelling en karakter nauwelijks door de kiezers kunnen worden beïnvloed,
de politieke macht vrijwel heeft gemonopoliseerd. Het is deze politieke elite
die in belangrijke mate het lot bepaalt van alle andere maatschappelijke elites
en sectoren en daarbij zeker niet geneigd is zichzelf te vergeten. Het
bedrijfsleven, de universiteiten, de medische sector, de schrijvers, de
kunstenaars en alle burgerlijke beroepsgroepen hebben geen van alle enige
formele zeggenschap en hun leden zijn ook nauwelijks in de talrijke politieke
instituties vertegenwoordigd. Weliswaar heeft de centrale overheid zich omringd
met een serie adviesraden, waarin ook representanten van deze beroepsgroepen
hun mond open mogen doen, maar deze verplichten de overheid tot weinig meer dan
beleefde kennisname van hun studieuze rapporten.
Groeperingen
uit de burgerij die op redelijke gronden werkelijk iets gedaan willen krijgen
en over voldoende geld en energie beschikken, kunnen dan wel de rechterlijke
macht inschakelen, een beroep doen op de Europese Commissie, 'actie' ondernemen
of gaan lobbyen, maar deze middelen zijn uiterst tijdrovend en vaak
ondoelmatig. Het komt er op neer dat het enorme reservoir aan ervaring, kennis
van zaken en kwaliteitsbewustzijn dat in de burgerij is aan te treffen,
politiek vrijwel geheel is uitgeschakeld.
De
werkelijke macht ligt in handen van de paar mensen die op de vergaderingen van
de grote partijen verschijnen. In dit perspectief krijgt ook het begrip
'politieke partij' iets schimmigs, want wat zich presenteert als een
organisatie met massale aanhang, blijkt in feite te bestaan uit een handjevol
vergaderaars. Indien dit allemaal juist is, zijn het ook deze minieme clubjes
die de politieke koers bepalen van zowel de hogere als de lagere overheden. Wat
zich aandient als een democratisch meerderheidsbeleid, is in feite het beleid
van een kleine minderheid.
Nu zou er
minder reden zijn tot zwartgalligheid als de niet-partijleden onder de kiezers,
en dat is 96 procent van degenen die een stem hebben uitgebracht, niet gedoemd
waren de rol te spelen van quantité négligeable. Hun politiek gewicht is
zo gering omdat zij ten gevolge van de ideologische vervaging in feite slechts
één allesbeheersende partij tegenover zich vinden. Zij stemmen nog wel, niet
zozeer in de hoop met hun stem te kunnen bijdragen tot een andersoortig beleid
(dat immers nauwelijks is te verwachten), maar vooral uit vrees dat de
binnenlandse status-quo, die hun een redelijk consumptiepeil garandeert, anders
wel eens een beetje naar 'links' of naar 'rechts' zou kunnen verschuiven.
Het
heeft er alle schijn van dat de politieke elites en maatschappelijke sectoren
min of meer in te kapselen of naar hand te zetten door middel van voorwaardelijke
geldstromen (subsidies), fiscale verfijningen en dreigende kortingen.
Opmerkelijk is overigens dat dit laatste middel, kortingen, zelden of nooit
wordt toegepast op het eigen ambtelijk apparaat dat, goed gevuld met
partijleden, onbekommerd kan floreren.
De
schade die aan de belangen van het land wordt toegebracht doordat de politieke
macht vrijwel geheel is geconcentreerd bij een kleine oligarchie, zal niet
altijd volkomen aantoonbaar zijn. Maar wel is zeker dat de politieke praktijk,
zoals hier afgeschilderd, weinig meer te maken heeft met het beginsel van de
volkssoevereiniteit. Als 'de politiek' inderdaad functioneert als een min of
meer eensgezind samenwerkingsverband dat zich ten opzichte van de kiezers in
hoge mate heeft verzelfstandigd, kunnen we spreken van een vrijwel gesloten
machtscircuit dat vrijwel ongecontroleerd zijn gang kan gaan.
Als dat
juist is, is het ook zeer waarschijnlijk dat er veel verkeerd gaat. Wie over
veel macht beschikt, heeft ook alle ruimte om zich over te geven aan zijn
menselijke zwakheden. De politieke situatie waarin we ons bevinden, zou dan ook
veel kunnen verklaren van het hobbyisme, de grilligheid en de irrationaliteit
van tal van wetten en besluiten die over ons heen komen en die een aantasting
vormen van de rechtszekerheid. Het is kenmerkend voor de irrationaliteit van de
vele wilde voornemens en overhaaste besluiten dat deze in toenemende mate
worden aangekleed met een soort slogans en ondoorzichtige modetermen, die door
hun gering intellectueel gehalte nauwelijks voor discussie, democratische
discussie, vatbaar zijn.
Het zijn
inmiddels van die slagwoorden als ‘deregulering’, ‘afslanking’, ‘krimp en
groei’, ‘schaalvergroting’, ‘doorstroming’, ‘gelijke kansen’, naast een
roekeloze propaganda voor het openbaar vervoer en voor vrijwel non-selectieve
vormen van onderwijs, die inmiddels tot
grote verwarring en andere rampzalige effecten hebben geleid. Het meest
naargeestige is dat het ‘rendement’ ervan – eveneens zo’n kreet waarmee veel
wordt gerechtvaardigd – vaak identiek blijkt te zijn met kwaliteitsverlies.
Sedert
de ‘onderwijsvernieuwing’ is er inmiddels vrijwel geen student meer te vinden
die, behalve een beetje Engels, een vreemde taal kan lezen, sedert de
‘schaalvergroting’ kan geen conservatorium nog behoorlijke solisten opleiden en
sedert de ‘tweefasestructuur’ kunnen we alleen nog het type klaargestoomde
doctor verwachten waarvoor men in het buitenland reeds de neus optrekt.
Internationaal gezien is elke nieuwe Nederlandse afgestudeerde een soort halfwas
– en dat in een periode waarin ook de Nederlandse grenzen verder zullen
opengaan en waarin men het graag heeft over internationaal niveau.
Velen
hebben het gevoel dat er iets verkeerd gaat en vinden dat de politieke macht
wel erg veel speelruimte heeft en vaak absurde besluiten neemt. Toch lijkt het
vertrouwen in de Westerse democratie als de beste of de minst slechte
regeringsvorm nog altijd zo groot, dat de klachten tegen de huidige gang van
zaken zelden een gearticuleerde, laat staan een principiële vorm aannemen. Men
is immers overwegend van mening dat, zolang aan de democratische spelregels
wordt voldaan, ‘de politiek’ altijd een zekere legitimiteit bezit. Lange tijd
werd men daarin nog gesterkt door de mythische kracht van het begrip ‘Westerse
democratie’ als het bastion van rechtszekerheid, rationaliteit en burgerlijke
vrijheid.
Nu
inmiddels tal van politieke waansystemen zijn ingestort en men in Oost-Europa
naar democratische middelen zoekt om de politieke macht te verdelen en te
reguleren, is ook bij ons in het Westen misschien het moment aangebroken om de
eigen democratische praktijk met wat minder naïviteit te bekijken dan tot nu
toe het geval was. Het politiek niet-actieve deel van de burgerij – en dat is
ten minste 96 procent van de kiezers dat nu nog, gelaten of geïrriteerd, de
ballenregen van de politieke jongleurs tracht te ontwijken – zou zich
bijvoorbeeld wel eens kunnen afvragen van welke orde de democratische
legitimiteit is van dat schijntje van de kiezers (0,4 procent) dat in feite het
beleid bepaalt.
De
auteur is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
en is tevens verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Het
bovenstaande artikel is verschenen op valentijnsdag in 1990, in het NRC
Handelsblad, en heeft voor enorme politieke opschudding gezorgd in Nederland.
Enkele kamervragen zijn erover gesteld en vervolgens is het zo snel mogelijk in
de doofpot gestopt. Wij visten het er voor u uit.